|
|
Ik zit in
mijn cabine,
wat zit ik lekker hier.
Blikje cola zakje chips
en de radio op vier.
Zo rijd ik naar stad en land,
laden lossen rijden maar
en weer naar een ander land,
laden lossen en weer klaar.
't Is al donker, 't is al laat,
mijn ogen worden klein.
't Is tijd om naar mijn bed te gaan,
ik rijd naar een parkeerterrein.
Tanden poetsen,
even plassen.
Slokje water,
handen wassen.
Ik doe mijn deuren goed op slot,
ik heb de muziek al uitgezet.
In mijn slaapzak wacht mijn beer,
ik klim naar boven, naar mijn bed.
Ik pak de foto van mijn mama,
van mijn papa en mijn zus
en voor ik lekker slapen ga,
geef ik ze alledrie een kus.
|
|
|
|
|
Mama helpt
me uit mijn kleren.
Tandenpoetsen, poezenlik.
Ze heeft een kus voor al mijn beren
en de dikste kus krijg ik.
Beer doet gek, maar ik doe gekker.
"Nou," zegt mama, met een lach,
"rustig lieverd. Lig je lekker
na je levenslange dag?"
Even nog een boekje lezen -
maar ik slaap al bijna in.
Ik lig zo heerlijk warm te wezen
met het dekbed tot mijn kin,
zacht en veilig opgeborgen.
En dan gaat de nacht zo snel!
Als ik opsta, is het morgen -
maar dat zien we morgen wel!
|
|
|
|
|
Ik mag
zonder sokken
buiten spelen.
Blote benen,
lekker fris.
Korte rok
en blote tenen.
Fijn dat het
weer lente is!
|
|
|
|
|
"Mijn
eitjes zijn zo wit",
zegt Trees.
"Ze zijn zo saai en kaal."
"Praat toch niet zo mal!"
zegt Trien.
"Een wit ei is normaal!
Wat wil je dan?
Een gouden ei?
Wat zit je nou te blozen?"
"Ik wil het liefst",
zegt Trees heel zacht,
"een ei met rode rozen."
|
|
|
|
|
Deuren
dicht, gordels vast,
daar ga ik dan, opgepast.
Alles wordt klein,
alles wordt kleiner.
't Ga hoger en hoger,
't wordt steeds fijne.
De rivieren worden slootjes
en de boten worden bootjes.
Op de rails een speelgoedtreintje,
de grote kerk is maar een kleintje.
Alles wordt klein,
elke tram en elke trein,
elk huis en elke boot,
alles wordt klein,
maar ik blijf groot.
|
|
|
|
|
Een leeuw
ligt op mijn dak,
twee apen in mijn achterbak.
Daarginder in het zand, een Afrikaanse olifant.
Giraffen eten van een tak
de leeuw springt van mijn dak.
In het gras een ratelslang,
ik ben een held, ik ben niet bang.
Ik rijd lekker in mijn jeep,
de apen tikken op mijn ruiten,
de deur doe ik voor niemand open,
'k laat die beestenbende buiten.
|
|
|
|
|
Tringelingeling,
tringelingeling.
Van oost naar west,
van noord naar zuid,
stap maar in,
en stap maar uit.
Fietsers, Pas op,
ik moet erdoor.
Wachten, auto's,
wachten, mensen,
ik mag eerst,
ik ga voor.
Tringelingeling,
tringelingeling,
ik moet de hele stad nog door.
Oei oei oei,
op de rem!
Een poes op de rails,
vlak voor mijn tram.
Ik moet de hele stad
nog door, maar nu
wacht ik even hoor
dieren gaan voor.
|
|
|
|
|
Stap maar in
mijn onderzeeer,
ga maar met me mee,
deurtje dicht en duiken maar,
naar het diepste van de zee.
Kijk eens daar, kijk eens hier
mooie vissen in het wier,
wat een schelpen,
wat een schatten.
Op de bodem van de zee,
de vissen laat ik zwemmen
en de schelpen laat ik liggen,
maar die schatkist neem ik mee.
|
|
|
|
|
Vier
wielen had mijn fiets,
twee grote en twee kleine.
Vier wielen vond ik niets,
want
wie groot is fietst met twee.
Ik ben al vaak gevallen
groot zijn valt niet mee. |
|
|
|
|
Zwaar is de
vrachtwagen
barstensvol grind,
zwaar is het nijlpaardjong,
nog maar een kind.
Zwaar is de boodschappentas
aan het stuur,
zwaar zijn het bakstenen huis
en de schuur.
Zwaar is de schatkist
met zilver en goud,
zwaar zijn de bomen
gekapt in het woud.
Zwaar is de tafel
met boeken erop,
zwaar valt er eentje
precies op mijn kop!
|
|
|
|
|
Ik ga lekker
slapen,
ik ben heus niet bang,
als is het nog zo donker
en duurt de nacht heel lang.
Ik ga lekker slapen
ik ben reuze blij,
want mijn dikker knuffelbeer
past heel goed op mij! |
|
|
|
|
Vort
paard vort!
Ik rijd door bos en duin en hei,
kriskraskriskras door het land,
en achter in mijn huifkar
staat een grote picknickmand.
Ho paard ho!
Een zonnig plekje in het bos,
wacht maar paard, ik laat je los.
Ik eet een lekker broodje
en lig wat in het zachte mos.
Mijn paar rust uit en drinkt wat
water bij het beekje in het bos.
Vort paard vort!
Ik wil weer verder door het land,
maar mijn paard wil nog niet mee.
Eerst wil hij nog een broodje
en een lekker kopje thee. |
|
|
|
|
We stapten
op het veld
in een grote rieten mand,
en we stegen en we stegen,
en we waren weg van huizen,
weg van wegen, weg van land.
We zwaaiden naar Sam
uit de klas, die met Emma en Bas
naar school toe liep.
Maar Jan en alleman
die -kijk daarboven - riep.
We waren in de wolken,
want we volgen langs vlinders,
naar boven en woven naar vogels
en bomen.
We gaven de brave wind een hand,
die ons had meegenomen,
want hij waaide waaide onze mand
naar waar we moesten zijn,
midden op het plein,
midden in de zon.
Als dat zou kunnen,
als dat eens kon...
Naar school gaan
in een luchtballon.
|
|
|
|
|
Mijn trein
heeft weer vertraging,
mijn jeep zit vast in 't zand,
mijn luchtballon is weer kapot,
mijn huifkar heeft een lekke band.
Mijn vliegtuig komt de lucht niet in,
mijn fiets rijdt niet zo goed,
maar ik kom daar waar ik moet zijn,
ik ga gewoon te voet!
|
|
|
|
|
M'n sokken
zitten vol met zand
en m'n neus is rood.
Ik ging met papa naar het strand
en varen met de boot.
Het was leuk,
het was fijn!
Het strand was net een woestijn.
De zee was blauw en zout en nat,
een supergroot familiebad!
|
|
|
|
|
Ik
heb een emmer
vol met schatten,
mooie schatten
uit de zee.
Morgen ga ik
naar mijn oma.
Dan neem ik
mijn emmer mee.
Oma kon niet mee naar 't strand.
Daarom geef ik haar wat zand.
En met mijn schelpen bij haar oren,
laat ik haar de zee ook horen. |
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|